rajfotografie

Creatief - Scherp en Onscherp

Scherpte

Wie fotografeert streeft meestal naar het maken van scherpe foto's. Onscherpe foto's worden al gauw afgewezen als 'die is mislukt'. Hoe krijg je goed scherpe foto's en waarom zou je onscherpe foto's willen? Hier gaan techniek en creativiteit hand in hand. De pagina scherpstellen, hoe dan?geeft nog een aantal tips om het scherpstellen nog beter onder de knie te krijgen.

Scherpstellen

Digitale camera's werken met pixels en het is het contrast tussen twee pixels dat de grootste scherpte geeft. De camerasoftware bepaalt en onthoudt waar dat grootste contrast is en draait de lens in het objectief zo dat het contrast in focus (beeld) en scherp is. Knap staaltje techniek!

autofocus

Moderne camera's stellen automatisch scherp door de ontspanknop half in te drukken. Het 'autofocussysteem' doet de rest. Dat systeem kent verschillende instellingen die je kunt kiezen afhankelijk van wat je wilt fotograferen.

  • AF-S
  • Dit is de autofocusstand waarin de camera eenmaal scherpstelt (S=Single) en de foto in die stand maakt door de ontspanknop helemaal in te drukken. Beweegt het onderwerp en stel je niet opnieuw scherp dan zal de foto meestal niet scherp zijn.

  • AF-C
  • Door de ontspanknop half in te drukken stelt de camera in de C-stand continue scherp. Ideaal voor bewegende onderwerpen

  • AF-A
  • In de AF-A stand (A=Auto) kiest de camera zelf welke AF-stand het beste is. Dat zou dus de S-stand voor stilstaande of de C-stand voor bewegende onderwerpen kunnen zijn.

handmatig

Handmatig scherpstellen blijft ook altijd nog mogelijk. Daarvoor moet je wel eerst de de M-stand op je objectief inschakelen. Let op, dit is niet hetzelfde als de M-stand waarmee je handmatig de sluitertijd en het diafragma bedient. De M-stand voor handmatig scherpstellen zit aan de zijkant op het objectief. Het is meestal een schuifschakelaar die slechts twee standen kent, M/A of M op Nikor-objectieven. Op Canon-objectieven is de keuze logischer, hier staat AF en MF.

scherpstelpunten

Het zoekerbeeld van digitale camera's is verdeeld in een aantal scherpstelpunten. De camerasoftware gebruikt deze punten om het onderwerp te detecteren en vervolgens de scherpstelling te optimaliseren.

   

De afbeeldingen tonen het zoekerbeeld van een Nikon-camera (D7100) met markering in rood van een enkel en negen scherpstelpunten. Het aantal kan verder uitgebreid worden tot 21 en maximaal 51 scherpstelpunten. Ook is het mogelijk om de focus te verleggen naar ieder punt in het zoekerbeeld. De scherpstelling past zich dan aan.

Meestal ligt de voorkeur in het midden zoals in afbeelding 1 maar het kan door een andere compositie te kiezen handig zijn dat scherpstelpunt ergens anders in het beeld te plaatsen.

Dat kan door in het menu de scherpstelpunten op een andere positie vast te leggen.

Onscherpte voorkomen

beweging
Onscherpte door beweging is alleen te voorkomen door de camera goed stil te houden tijdens het maken van de opname en een voldoende snelle sluitertijd te gebruiken. Fotograferen vanaf een statief is de makkelijkste methode om de camera stabiel te houden. Gebruik je verder nog een draadloze bediening of zelfontspanner dan zal bewegingsonscherpte niet snel meer optreden. Klap je ook nog je spiegel op bij een spiegelreflexcamera dan is trilling van de camera helemaal afwezig. Maar let op, vergeet niet om de automatische bewegingsreductie waar sommige objectieven mee uitgerust zijn, uit te schakelen. Ook die kan trillingen veroorzaken wanneer de camera op statief staat. Je hebt nu echt alle oorzaken van bewegingsonscherpte uitgeschakeld.

Heb je geen statief, zoek dan steun op een vast voorwerp zoals een hekje, een stoelleuning, de grond of gebruik een pittenzak om je camera op te leggen. Een simpele maar effectieve oplossing maak je zelf.

Neem een nylon vislijn, leg er een lus in die om je voet past en bevestig de lijn met een cameraschroef aan de body van je camera. Steek je voet in de lus, duw de camera omhoog zodat de vislijn strak staat en maak je foto. De strak getrokken vislijn stabiliseert je camera waardoor je trillingen voorkomt. Kosten? Paar euro. Gewicht en ruimte? Te verwaarlozen!

Snellere sluitertijd

De sluitertijd heeft veel invloed op het vermijden van bewegingsonscherpte. Een korte sluitertijd geeft meer garantie voor een scherpe foto dan een langere sluitertijd. Sportfotografen weten daar alles van. Sluitertijden van 1/1000 sec of hoger garanderen dat de voetballer in het beeld 'bevroren' wordt en voldoende scherp is.

Wil je onscherpte door beweging zo veel mogelijk beperken wanneer je uit de hand fotografeert, dan is er deze vuistregel. Vermenigvuldig de maximale brandpuntsafstand van het objectief dat je gebruikt met twee. Gebruik deze waarde als minimale sluitertijd. Dus bij een objectief f16-80mm is de beste sluitertijd waarmee je nog redelijk uit de hand kunt fotograferen, 1/160 sec.

Het is slechts een vuistregel. Garanties zijn er niet. Kies bij tele-objectieven maar voor een statief, dat geeft meer stabiliteit en dus ook zekerheid.

Scherptediepte

Scherpstellen en diafragmaopening (f-waarde) samen bepalen welk deel van de foto scherp is. Een hoger diafragmagetal - de lensopening wordt steeds kleiner - geeft een grotere scherptediepte dan bij een lagere f-waarde. Klinkt ingewikkeld maar is het niet. Vergelijk het met het dichtknijpen van je ogen om iets scherper te kunnen zien. Op oudere objectieven stond een schaalverdeling die ongeveer aangaf waar de scherpte begon en eindigde bij de gekozen instelling van afstand en diafragma. Die schaal werkt nog wel maar staat vaak niet meer op moderne objectieven aangegeven. Een nieuw hulpmiddel is de berekening van de hyperfocale afstand met een App op je smartphone.

Hyperfocale afstand

Wil je alles scherp hebben op een foto dan moet de zogenaamde `hyperfocale afstand` gebruiken als je je objectief instelt. Hyperfocaal betekent dat je foto van voor naar achteren scherp is, op veel plaatsen dus. Er bestaat een formule die deze afstand berekent maar veel handiger is om een App te downloaden die de berekening voor je uitvoert.

De formule luidt als volgt, H = (F²/N*c)+F.

De hyperfocale afstand H is dan het quotiënt van het kwadraat van de brandpuntsafstand (F²) en het product van diafragma en de diameter van de verstrooiingscirkel (N*c). De laatste is het deel aan de rand van een cirkel dat het menselijk oog nog als scherp ziet of denkt te zien. Want feitelijk ziet het oog die rand niet scherp. Onze hersenen corrigeren de onscherpte. De verstrooiingscirkel wordt aangegeven in millimeters en is voor iedere lens verschillend. Op internet zijn er tabellen te vinden die de verstrooiingsafstand voor de meeste lenzen opgeven.

In de praktijk wordt de formule wat eenvoudiger gemaakt door de brandpuntsafstand er niet meer bij op te tellen omdat het effect ervan op de berekening van de hyperfocale afstand heel klein is. Wat blijft is H = (F²/N*c).

Een voorbeeld, Bij een 35mm objectief die ingesteld wordt op f/11 en een verstrooiingscirkel van 0.03mm geeft de formule als resultaat 3712mm of 3.7 meter. Stel je het objectief in op 3.7 meter dan zal alles vanaf 1.85 tot oneindig scherp zijn.

Creatieve onscherpte

Scherpte als eerste doelstelling bij fotografie is prima. Maar onscherpte geeft foto's een heel aparte uitstraling. Vergelijk de foto's van 'oude meesters' en zie hoe hun foto's vaak heel onscherp zijn. Dat was uiteraard het gevolg van de eenvoudige apparatuur die ze nog gebruikten. Maar toch zijn die eerste beelden vol van sfeer en dynamiek.

Onscherpte als eerste doelstelling bij het maken van een foto is dus zo gek nog niet. Het levert creatieve fotografie op die erg aantrekkelijk kan ogen!

Panning of meetrekken

Wil je dynamiek door onscherpte in je foto dan kun je tijdens het maken van de foto de camera met het bewegende onderwerp laten meebewegen. Je onderwerp zal dan scherp zijn en de achtergrond onscherp door de beweging van je camera. Dit heet panning en in het Nederlands 'meetrekken'. Meetrekken lukt het beste wanneer het onderwerp - bijvoorbeeld een fietser - voorbij komt. Je kunt de fietser dan van links naar rechts of omgekeerd met je camera volgen.

Stel je camera in op een langere sluitertijd, bijvoorbeeld 1/60sec en maak de foto. Je ziet op je lcd-scherm direct of je panning is gelukt. Is het onderwerp toch nog onscherp dan heb je of niet goed mee bewogen of je sluitertijd was echt te lang. Panning of meetrekken leer je door het veel te doen. En wees niet teleurgesteld, het lukt niet altijd. Maar als het lukt heb je een prachtige foto die het bekijken meer dan waard is.

panning-1

De fietser in bovenstaande foto is scherp, de achtergrond niet. Extra dynamiek ontstond bij toeval omdat vanaf links een scooter met duopassagier door de opname heen reed. Omdat hun beweging tegengesteld was aan de camerabeweging, gecombineerd met de lange sluitertijd 'racen' zij lekker door het beeld!

Bokeh

In het Japans betekent bokeh vaag of vervaagd. In de fotografie betekent bokeh de onscherpte in een foto. Er is geen of een heel beperkte scherptediepte waardoor een dromerig effect in de foto ontstaat. Bokeh ontstaat door bewust met volle lensopening te fotograferen. Lees verder bij 'Achtergrond door bokeh'.

Lange sluitertijden

Fotograferen bij beperkt licht leidt ook vaak tot onscherpte in de foto. Met langere sluitertijden kan je prachtige opnames maken. Alle voorwerpen die door het beeld bewegen tijdens het maken van de opname geven een onscherpe tekening in de afbeelding. Bij donkere objecten is dit niet direct zichtbaar maar lichten van auto's bijvoorbeeld, trekken een mooi lichtspoor zonder dat de auto zelf nog te zien is.

Ook het fotograferen van snel stromend water geeft met langere sluitertijden een mooie onscherpte in foto's.

Langere sluitertijden bij daglicht geven soortgelijke effecten alleen mis je de lichtsporen zoals hiervoor aangegeven. Tot slot een voorbeeld.

bewegingsonscherpte-1

Dit is geen voorbeeld van panning. De camera volgt de auto niet, die rijdt door het beeld en de lange sluitertijd veroorzaakte de bewegingsonscherpte. Let op de persoon op de achtergrond!